Archief /
9 mei 2009
Terugblik Studiedag Visuele Cultuur en Onderwijs in de Geesteswetenschappen
Verslag Studiedag 25 mei 2007
Een terugblik op de studiedag Visuele Cultuur en Onderwijs in de Geesteswetenschappen
Werkgroep Visuele Cultuur/Data Archives Networked Services
Trippenhuis Amsterdam
25 mei 2007
De ochtend van de studiedag Visuele Cultuur en Onderwijs in de Geesteswetenschappen diende voor een bespreking van de didactische leerdoelen en de praktijk van het hoger onderwijs in visuele cultuur. Drie universitair docenten, afkomstig uit geschiedenis, kunstgeschiedenis en filmwetenschappen, spraken over hun toepassing van beeldbronnen in onderwijs. De middag werd gevuld met enkele presentaties van beheerders van diverse beeldcollecties. Na een column door Wessel Krul werd het programma afgesloten met een algemene discussie.
Ochtendprogramma
Historica Catrien Santing besprak hoe beeldmateriaal in het geschiedenisonderwijs aan de Rijksuniversiteit Groningen in de laatste tien jaar een plaats verwierf. Daarbij was de status van beeldbronnen onder historici lang niet vanzelfsprekend. Mede doordat de methodiek bij beeldanalyse nog vaak onduidelijk is, moest het gebruik van beeldbronnen in geschiedenis vaak worden verdedigd. Bij het nastreven van het onderwijs over beeldbronnen als regulier onderdeel van het onderwijs- curriculum, stuitte ze ook op protest van diverse kunsthistorische collega’s die de benadering van beeldmateriaal als bron ervaren als een ‘degradatie’ van kunstobjecten. Santing is een enthousiast voorstander van de implementatie van visuele cultuur in de historische praktijk, al was het maar als hulpwetenschap. Wel noemde ze de vindbaarheid van beeldbronnen nog problematisch. Als handboek gebruikte ze Richard Howell’s Visual Culture (2003) dat bruikbare voorbeelden geeft van beeldanalyses en daarnaast ook diverse media behandelt.
Arno Witte ging vervolgens in op de lespraktijken van zijn kunstgeschiedenis-colleges aan de Universiteit van Amsterdam. Hij stelde dat studenten eerst een algemeen overzicht dienen te krijgen van de West-Europese kunstgeschiedenis, met de diverse stijlen en genres, voordat ze beeldmateriaal kunnen relativeren, betekenissen kunnen toekennen, of standpunten kunnen formuleren. Zijn leerdoelen formuleerde hij als volgt: 1: studenten te tonen dat beeldmateriaal niet eenduidig is, 2: studenten een kritisch standpunt te laten innemen tegenover de historiografie, en 3: studenten de relaties te laten inzien tussen beeldbronnen en de materiële cultuur. In zijn presentatie demonstreerde Witte hoe hij in levendige hoor- werk- en straatcolleges deze doelen probeert te bereiken. Ook oefeningen van gedetailleerde objectbeschrijving maken deel uit van de oefening.
Ivo Blom, filmwetenschapper bij de Vrije Universiteit, koos voor de aandachtspunten van migratie en de toe-eigening van beeldbronnen aan de hand van de thema’s Quo Vadis, Visconti en Rome. Net als Santing benadrukte hij het belang van een goede beschikbaarheid van het beeldmateriaal in onderwijs, in het bijzonder filmbeelden. Blom ziet een goede oplossing in een convenant voor het vrij gebruik van (een canon van) films voor studenten en onderzoekers. Bij zijn onderwijs maakte hij gebruik van Wendy Doniger’s, The Implied Spider (1999). Studenten leren daarmee het gebruik van historische thema’s door de tijd heen te herkennen, in traditionele en nieuwe media, en kunnen de representaties van de antieke wereld zo ook herkennen als reflecties van moderniteit. Ook Chris Vos’ Bewegend Verleden noemde hij als een bruikbaar boek.
Middagprogramma
In het middagprogramma beet Rieke van Leeuwen het spits af met een toelichting op de ontsluiting en zoekmethoden van de beeldcollectie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. De databases van het RKD, een zeer belangrijk hulpmiddel voor kunsthistorisch onderzoek kan ook voor onderwijsdoeleinden worden geraadpleegd.
Tom Brink van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid demonstreerde hoe het beeldmateriaal, vroeger gericht op de behoeften van omroepen, nu als streaming video beschikbaar is voor onderwijs-doeleinden. In het beleid van het Instituut onderscheidde hij de beschikbaarheid van lesbrieven en mogelijkheid van onderwijs-begeleiding. De voorziening Tele-blik biedt via Internet actuele en historische bronnen aan voor het onderwijs. Daarnaast worden nieuwe methoden verkend om intuïtiever te kunnen zoeken, een faciliteit waarmee ook onderzoekers gediend zijn.
Gerard Jan Nauta van de Universiteit Leiden deed verslag over zijn onderzoek naar de plaats van beeldcollectie in onderwijs en onderzoek. Net als Santing en Blom noemde hij het problematisch om materiaal uit diverse collecties te overzien. Nauta ondervond dat docenten veelal nog slecht zicht hebben op de technische mogelijkheden. Een onderbelichte methode om karakteristieken van beeldmateriaal uit diverse collecties te kunnen verzamelen, de ‘mask up-toepassing’, is bijvoorbeeld al haalbaar met het programma Flickr.
De presentaties door de collectiebeheerders werden aangevuld met een korte toelichting op dienstverlening door Pictura- programmeur Mark van Duiker. Hij gaf een kort verslag van de ontsluitingsprojecten door zijn bedrijf bij collecties van de Koninklijke Bibliotheek en het Nederlands Fotomuseum.
In zijn column Beeldslijtage nuanceerde Wessel Krul de vooronderstelling dat de opkomst van beeldcultuur nog een recent verschijnsel zou zijn. Daarnaast plaatste hij kanttekeningen bij de belofte die het beeld als historische bron inhoudt. Want beelden, zo stelde Krul, zijn niet alleen multi-interpretabel, maar bevatten ook (minder dan tekst) complexe redeneringen. Huizinga waarschuwde terecht voor het gebruik van afbeeldingen als bron voor historisch onderzoek. De beelden roepen echter wel vragen op en onderstrepen het vreemde van het verleden. Wessel poneerde twee desiderata: 1. selectiecriteria. Niet alle beelden zijn even relevant voor een onderzoek. Een massa aan beelden leidt tot 'beeldslijtage', de historici moeten scherper onderbouwen welke beelden relevant zijn. 2. De studenten moeten leren om voldoende tijd te nemen om beelden diepgaand te onderzoeken. De huidige beeldcultuur wordt met snelheid geassocieerd, maar dat mag niet betekenen dat we beelden snel en oppervlakkig analyseren. In het onderzoek van beeldbronnen is onthaasting het parool.
In de discussies er werden thema’s besproken als de houdbaarheid van digitale collecties en andere data zoals collegestof, maar het meest prominente onderwerp bleek de toegankelijkheid van beeldcollecties voor onderwijs en onderzoek. Men besprak het tekortschieten van de huidige databases op universiteiten. Een systeem als 'SURF' heeft het probleem dat het slechts voor een afgesloten omgeving beschikbaar is en daarmee onbereikbaar is voor studenten. Toch tekende zich in de publieksreacties duidelijk de wens af om los te breken van de gewoonte steeds opnieuw hetzelfde materiaal te gebruiken. Gemeenschappelijk optreden door universiteiten om beeldcollecties bereikbaar te maken voor docenten, onderzoekers en studenten is urgent en onvermijdelijk.
Tot Slot
In de evaluatie werd de studiedag goed gewaardeerd. Mensen stelden de praktische tips bij het vinden van beeldcollecties op prijs. Sommigen zouden graag verder zijn ingegaan op didactische methoden. Men toonde dan ook belangstelling voor een vervolg op deze studiedag, waarin deze aangesneden thema’s worden uitgewerkt, waarin andere collecties aan de orde komen, en waarin analysemethoden kunnen worden uitgediept. De combinatie van aanbieders van beeldcollecties met de gebruikers ervan in het onderwijs werd eveneens zeer op prijs gesteld.
Laatste wijziging: 06/ 10/ 2010